ra
Dolcino

De geschiedenis van Fra Dolcino
Fra Dolcino is een mysterieus figuur. In de plaats Vercelli schijnt een gedenksteen ter ere van deze frater te staan. Maar kort na de plaatsing verdween deze op mysterieuze wijze. Voor mijzelf wederom een bevestiging dat er een dichte nevel hangt rond de persoon Fra Dolcino. Daarom heb ik aan de hand van een vraagstelling een onderzoek naar Fra Dolcino gedaan.
De vraagstelling:
Hoofdvraag: Klopt het verhaal van Dolcino? (vergelijking boek De Naam van de Roos – werkelijkheid)
Deelvraag: Wat is de invloed van Fra Dolcino geweest in de Middeleeuwen?
Thema: Het mysterie rond Fra Dolcino
Om snel naar de verschillende gedeeltes van dit betoog te gaan kun je de links hieronder gebruiken. Je zult automatisch naar het goede gedeelte van de bladzijde worden verplaatst. Bij enkele delen zul je een klein cijfertje zien staan. Klik hierop om de bijbehorende noot te zien.
Waar had hij zijn ideeën vandaan?
Wat gebeurde er met Fra Dolcino?
Hoe was het Joachimitische denkbeeld in handen van Fra Dolcino?
Hoe eindigde het met Fra Dolcino?
Wat bleef er hangen van Fra Dolcino?
Conclusie / beantwoording vraagstelling
En dan nu... de geschiedenis van Fra Dolcino:
Waar had hij zijn ideeën vandaan? [top]
Ik moet eerst zeggen dat de informatie over deze Segalelli inderdaad komt uit de overlevering van ene frater Salimbene, dus geeft Eco dezelfde bron weer als die ik nu gebruik.
De man die wordt gezien als de voorganger van Fra Dolcino is Gherardo Segalelli (die zijn ideeën haalde uit de getuigschriften van abt Joachim van Fiore). Hij predikte namelijk in het openbaar over penitenziagite. In het boek wordt dit genoemd als een andere manier om "Penitentiam agite, appropingquabit enim regnum coelorum" te zeggen door een ongeletterde. Boetedoening moest er dus gedaan worden. Daarnaast wilde hij dat zijn leerlingen net zo zouden worden als de apostelen en moesten leven van aalmoezen. Dit gebeurde ongeveer in 1260. Zij kleedden zich als Franciscanen. De man kreeg vooral veel volgelingen van lage komaf die in zijn prediking een manier zagen om eeuwige redding te bereiken. Ze verwierpen elke vorm van gezag (wereldlijk en kerkelijk). Eco houdt het op dit punt slechts bij een beschuldiging. Voor Segalelli gold maar een vorm van gezag: het evangelie. Zijn ideologie sloot dus elke vorm van hiërarchie uit. Ze hielden er dan ook een levensstijl op na die verwees naar de primitieve kerk. Het meest verbazende is nog wel dat tijdens het proces tegen deze ‘Apostelen’ er geen specifieke beschuldigingen werden gedaan. Op basis van het canonieke recht kon de Paus niet duidelijk maken welke vorm van ketterij hier werd bedreven. Daar komt bij dat de ‘Apostelen’ geen prediking hielden die een bepaalde opvatting van de bijbel uitdroeg. Maar hun ideeën vormden wel een onstabiele sociale factor. En daarom werd er naar iets anders gezocht om deze ‘Apostelen’ toch als ketters te kunnen bestempelen. Men kwam met een ‘roddelonderwerp’ vanuit de groep der Apostelen. Het ging hierbij om het seksuele leven van de Apostelen. Daarnaast waren er ook andere dingen, vooral het Franciscaanse ideaal van Segalelli was een belangrijk punt. Hij voerde dit ver door; zo bezaten al zijn volgelingen slechts 1 rok. In het jaar 1274 werd de sekte verboden en nogmaals in het jaar 1284, verboden waar Segalelli zich niks van aantrok. In het 1290 kreeg hij met de Inquisitie te maken. Hij bracht het er levend vanaf doordat de bisschop van Parma hem een beschermende hand boven het hoofd hield. De bisschop vond hem meer een onnozele dwaas dan een gevaarlijke ketter. Hij liet Segalelli zelfs in zijn paleis wonen, volgens sommigen als een soort hofnar. Maar al spoedig ging Segalelli weer op pad en daarom kreeg hij in 1300 opnieuw de Inquisitie op zijn dak. Hij kreeg te maken met Bernardo Gui. Aangezien er deze keer geen bisschop was om hem te beschermen werd Segalelli veroordeeld. Na een jaar in de kerker gezeten te hebben, werd hij verbrand op de brandstapel. Ook onder zijn volgelingen vielen vele slachtoffers. Ik heb hieronder een stuk uit de geschriften van het proces gezet, omdat hierin duidelijk de reden naar voren komt waarop de Inquisitie Segalelli heeft gepakt:
"Gevraagd werd of een man een vrouw kan betasten ook al is het niet zijn vrouw, en of een vrouw een man kan betasten ook al is het niet haar man en vervolgens veelvuldig in de schaamstreek te betasten, op zichzelf een hoopje knopen en dit gedaan kan worden zonder de schaduw van de zonde…. Antwoordde Segalelli: een man en een vrouw, ook wanneer ze niet door de echt verbonden zijn, en een man en een man, en een vrouw en een vrouw zich zonder schaamte in hun kruis kunnen vatten en zo vaak ze zelf willen. Dit kan zonder zonde worden gedaan om dat je naar iets reikt dat de intentie heeft naar perfectie te neigen. Maar waarom er altijd werd gezegd dat zoiets een zonde is, is het dat niet, omdat de perfecte persoon overal aan kan zitten zonder de schaduw van de zonde te voelen" (1)
Maar voor dat hij werd veroordeeld had Segalelli al wel een opvolger gevonden die de sekte een volledige andere koers zou gaan geven. Deze man was een bastaard van een priester, weggelopen Franciscaan (een Spirituaal), een begaafd preker, van sterke en dweepzieke aard en het type van een onverschrokken strijdbaar volksleider. Deze man was Fra Dolcino. Opmerkelijk is dat Eco ervan uitgaat dat Dolcino niet veel contact heeft gehad met Segalelli en hem slechts had horen spreken.
Zijn (belangrijkste) ideeën waren de volgende:
·
Zijn volgelingen moesten een leven leiden zonder bezit en leven van aalmoezen (Conventionelen)·
Franciscus was de verkondiger van het nieuwe geloof en daarom moest men in armoede leven en zich bezig houden met preken en bedelen.Wat gebeurde er met Fra Dolcino? [top]
Een opmerkelijk gebeuren onder Fra Dolcino is dat voor het eerst te zien is hoe de ketterij zich onder bijzondere omstandigheden naar het platteland verplaatst. Segalelli had daar al enkele volgelingen, maar Dolcino concentreerde zich volledig op boeren. Dit had als bijkomend voordeel dat Dolcino bij hun hulp vond en er eventueel kon onderduiken voor de Inquisitie. Deze aanhang onder boeren bevond zich in Trento, zoals Eco ons ook laat weten. Het succes van zijn prediking hier heeft misschien nog te maken met de Patareense invloeden.
Dolcino had ook een aantal helpers, namelijk een zekere Longinus en Margharita. Deze Margharita was een uit een klooster ontsnapte non, die Dolcino’s levensgezellin werd. In het bijzonder zou zij de vrouwen van de sekte leiding gaan geven (het schijnt dat Margharita een zeer dappere vrouw was, die grote staaltjes van moed heeft laten zien toen de Apostelbroeders naar de wapens moesten grijpen). Dolcino zorgde verder dat er een groot aantal Joachimitische voorstellingen de sekte binnen kwamen, die later weer werden vermengd met andere ketterse elementen.
Een van de belangrijkste punten van Segalelli was het armoedebeginsel geweest. Dolcino was hierin echter nog veel feller dan Segalelli. Hij predikte het gemeenschappelijk bezit zeer vurig. Hierover zei Dolcino:
·
Rijkdom in het algemeen is de bron van alle kwaad·
Zover rijkdom in de handen van de Kerk is, is het de bijzondere oorzaak van alle geloofsontaarding.Dolcino was zeker niet bang voor geweld en hij leerde zijn volgelingen dan ook met het zwaard in de hand (indien noodzakelijk) de apocalyptische gerechtigheid te verspreiden.
Hij dreigde ook nog eens naar de Franciscanen toe door te stellen;
Wanneer de franciscanen hem in zijn spirituele en apostolische roeping zouden aanvallen, ze daarmee ten dode opgeschreven waren. Overlevenden zouden gedwongen worden tot zijn sekte toe te treden.
In feite verklaarde Dolcino de oorlog aan alle geestelijken, zowel in als buiten de kloosterorden.
Hoe was het Joachimitische denkbeeld in handen van Fra Dolcino? [top]
Dit Joachimisme dat bij Segalelli toch hoog in het vaandel stond, kreeg bij Dolcino een heel andere betekenis. Hij verkondigde de gave van de profetie van God te hebben ontvangen. Deze gave betrok hij sterk op de werkelijkheid, Dolcino was prettig om naar te luisteren, waardoor het voor veel mensen heel aannemelijk was dat Dolcino inderdaad de gave van profetie had ontvangen van God. Daarnaast zag Dolcino, net als Joachim, dat de geschiedenis zich in vier tijdperken voltrok. De eerste twee komen vrijwel overeen met die van Joachim, met de derde slaat hij een heel andere kant op. Het derde tijdperk begon voor Dolcino met de stichting van de grote monnikenorden, waarmee hij de orden van Benedictus, Franciscus en Dominicus bedoelde. Maar volgens Dolcino waren de geesten van zijn voorgangers uitgebrand. Bescheiden als Dolcino was, zie hij dat Segalelli en hij waren gezonden door God om het ware apostolische leven te preken. Het vierde tijdperk stond in het teken van de terugkeer naar Christus. Dus niet van Christus. Bij Segalelli was het apocalyptisch element niet helemaal afwezig, maar het belangrijkste voor hem was toch het armoede-ideaal. Al heeft Segalelli wel verklaard dat de kerk, naar de ‘donatie van Constantijn’, de verkeerde kant was opgegaan.
Bij Dolcino kreeg het armoede-ideaal, onder invloed van de Joachimitische inslag, een revolutionaire strekking. Hier is ook een scherpe breuklijn nog te constateren tussen Dolcino en Segalelli. Segalelli had nog, in zekere zin, dicht bij Franciscus gestaan. Voor Dolcino was Franciscus niet van betekenis. Franciscus had zijn doel gemist, zijn orde behoorde tot het verleden en de huidige minderbroeders hadden zijn oudste idealen afgezworen.
Dolcino voorspelde de komst van een uitverkoren vredesvorst. Deze vredesvorst was in zijn ogen keizer Frederik III, de op Sicilië zetelende Hohenstaufer. Volgens Dolcino zou deze Frederik III de corrupte paus ter dood brengen en in Italië een aantal nieuwe koningen aanwijzen. Eco trekt de lijn nog door, door te stellen (in de persoon van Adson) dat, in de tijd van het boek, dat nog steeds het geval is, al is de keizer nu Lodewijk. Terug naar het verhaal van Dolcino. Hij stelde ook dat er een nieuwe paus zou worden aangesteld door God, dus niet gekozen door de kardinalen. Het idee bestond waarschijnlijk onder zijn volgelingen dat Dolcino zelf deze nieuwe paus zou kunnen zijn. Het idee was dat de Apostelbroeders zich na de grote verandering samen met de overgebleven priesters (indien deze doordrongen bleken van de Heilige Geest) rondom hem scharen. Zo zouden ze de heersers worden over de Kerk en de wereld in een duizendjarig rijk (waar heb ik dit later in de geschiedenis toch meer gehoord, ook al is het in iets andere vorm). Dit zou mede mogelijk worden gemaakt door, zo beweerde Dolcino althans, de minstens 4000 volgelingen die hij meende bij elkaar te kunnen brengen.
Fra Dolcino was, volgens de alom bekende Bernardo Gui, een vat van ketterijen, op z’n minst twintig. Enkele daarvan waren:
·
De ontkenning van de kerk·
De proclamatie van eigen zondeloosheid·
De ontkenning van de vleselijke zonde·
Verbod van de eed·
Verachting voor kerkgebouwen en symbolen (een voorbeeld van Waldenzische en Kathaarse beďnvloeding)Doordat duistere profetieën over Dolcino’s hemelvaart en zijn terugkeer naar de aarde met Enoch en Elia om de Antichrist te bestrijden de ronde deden in zijn sekte, vond de franciscaanse geest van verzet tegen ijdele rijkdom bij de Apostelbroeders zijn eschatologische, militante voortzetting. Wraak voor de zwakte van de Kerk en voor de uitbuiting van de boeren door de feodale heren. Het is dan ook niet gek dat Bernardo Gui het heeft afgeschilderd als een nagenoeg crimineel personage. Iets wat in het boek ook nog weer terug komt als Bernardo Gui het proces tegen Remigio voert. Naast Bernardo Gui hebben ook Salimbene en Jacobus van Voragine hem op deze manier afgeschilderd.
Dante heeft een schilderij over Dolcino gemaakt. Uiteraard plaats hij Dolcino in de hel, maar er is toch een zekere sympathie voor Dolcino te merken. Met name wanneer hij schildert hoe Dolcino in het diepste van de hel andere oproerlingen aantreft. Onder hen is ook Mohammed, die Dolcino de volgende raad geeft:
‘Zeg dan aan Fra Dolcino en zijn scharen Gij,
die weldra de zon weer zult aanschouwen,
Zoo hij niet binnenkort hier rond wil waren,
Dat hij voor voorraad zorg’ met zijn getrouwen.
De sneeuw slechts kan hem in Novara’s streken
Doen bukken – anders kan hem niets benauwen.’ (2)
En inderdaad zou juist de sneeuw al zeer spoedig Dolcino en zijn volgelingen benauwen.
Hoe eindigde het met Fra Dolcino? [top]
Om de ontstane situatie ten opzichte van Fra Dolcino wat duidelijker te maken, zal ik even een kort uitstapje maken naar wat algemene geschiedenis.
In het jaar 1303 raakte de door Dolcino zo gehate paus Bonifatius VIII in conflict met de koning van Frankrijk, Filip IV. Filip was niet langer bereid om bemoeienis van de Kerk in staatszaken toe te laten en hij verwierp het principe van absolute heerschappij van de paus over alle tijdelijke dingen (daarmee de pauselijke bul ‘Nam Sanctam’ uit 1302 verwerpend).
De paus leed een verpletterende nederlaag. De koning liet vervolgens de paus arresteren. De paus, zo overstuur van de vernedering, stierf nog geen maand later op 11 oktober 1303.
Dit was het ideale moment voor alle dolcinieten om samen te komen. Er waren al snel enkele honderden (volgens de geschriften) bij elkaar, alhoewel het er net zo goed een paar duizend kunnen zijn geweest. Dolcino begon met zijn volgelingen rond te trekken. Echter toen Dolcino en zijn Apostelbroeders en –zusters kerken en kloosters begonnen te verwoesten ten teken van hun afgunst voor de Kerk, was de maat voor Clemens V vol. Clemens V had net dus Bonifatius opgevolgd, dus dit vormde een ideale gelegenheid om eens te laten zien dat hij een goede paus was die de Kerk weer op het goede pad zou brengen. En aldus werd in het jaar 1305 een kruistocht afgeroepen tegen Fra Dolcino, de Apostelbroeders en –zusters.
Hiermee werd de inquisitoriale druk op de sekte nog vele malen groter dan die al was. Daarnaast was er ook nog het verhaal waarbij de Ghibellijnse partij in beeld komt. Dolcino had partij gekozen voor de Ghibellijnse partij en daarmee kant gekozen voor de antipapisten. Deze antipapisten voerden, met aan het hoofd hertog Matteo Visconti van Milaan, op dat moment een zware strijd. De hertog zou met Dolcino gesproken hebben en hem wapens geleverd hebben. Hierdoor waren de grootgrondbezitters bang geworden en deden daarom enkele concessies aan de boeren. Omdat deze boeren niet uit pure revolutie was te doen, verlieten een aantal van hen daarna dan ook de rangen van Dolcino. Het was hen achteraf toch meer te doen om meer vrijheid en landbezit.
Raineri, bisschop van Vercelli, bracht in navolging van de oproep van de paus een leger op de been. Fra Dolcino week voor dit leger uit en trok richting de bergen tussen Novara en Vercelli terug. Volgens sommigen met meer dan 3000 volgelingen, volgens andere met slechts 1400. Ook Eco laat geen duidelijke cijfers vallen, simpelweg omdat deze er niet zijn.
Dan komt de volgende stap wanneer Dolcino zich verschanst op de berg ‘Kale Muur’. Vanaf hier zal ik het vervolg beschrijven zoals deze beschreven is in het boek ‘Historia fratis Dulcini heresiarche’, helaas door een onbekende auteur. Eco noemt wel een naam, Pietro van Sant’Albano, maar volgens mij is dit de fictie van de schrijver.
Op de muur van de berg bouwden de dolcinieten schuilplaatsen en huizen. Ze slaagden erin om meermalen de gewapende patrouilles van de lokale autoriteiten af te slaan. Daarmee werd hun burcht behoorlijk moeilijk in te nemen. De dolcinieten gingen ook regelmatig van de berg af om strooptochten te plegen. Dolcino had gepreekt dat stelen, mannen gevangen nemen om zich daarmee te amuseren en andere misdaden geen zondes waren, omdat hij en zijn volgelingen perfect waren. Zij waren beter dan ‘die andere kerkelijke mannen’ en mochten daarom alles doen om het leven van hun heilige (Dolcino zelf dus) te beschermen.
In de winter van 1305 en 1306, schreef Dolcino zijn derde en laatste brief waarin hij aankondigde dat hij was uitgekozen om de komst van de Antichrist aan te kondigen. Hij en zijn volgelingen zouden door Enoch en Elia meegenomen worden en daardoor aan het laatste oordeel ontsnappen en het paradijs binnentreden.
Na het schrijven van deze brief trok Dolcino gedwongen de met sneeuw bedekte bergen in. Na een lange en zware mars bereikte hij, op 10 maart 1306, vlakbij Trivero de berg Zubello. Deze berg werd daarna omgedoopt tot Rubello. Op deze berg aangekomen begonnen ze met de bouw van een fort, zodat ze vanuit daar de dorpen aan de voet van de berg konden plunderen. Het fort werd voorzien van een waterput, zodat ze langer water zouden hebben in het geval van een belegering.
Aldus begon hun verzet zonder hoop. Tot dit punt had de bisschop van Vercelli geregeld dat een gekozen leger de dolcinieten moesten bewaken. Maar daar kwam verandering in toen Clemens V op 7 september 1306 brieven rondstuurde met de volgende inhoud:
"Wij hebben geleerd, niet zonder grote bitterheid, dat die zoon van Satan, Dolcino, is neergedaald in Lombardije. Omdat hij tegen het Katholiek geloof is, de weg van de redding heeft verlaten en daarbij vele mensen meeneemt de afgrond in. Daarom, om zijn fouten uit te roeien, de mensen te beschermen tegen de vijandelijke Antichrist die bij hen in het territorium is neergedaald, moeten wij een vuist maken voor de gelovigen en de slechte schapen uit de kudde verwijderen, omdat de gewone mensen niet weten dat deze schapen stinken." (3)
Hiermee deed de paus eigenlijk niks anders dan de geestelijken en de edelen op te roepen om te vechten tegen de Antichrist. Dolcino kreeg dus helemaal, een echte, alleen voor hem in het leven geroepen kruistocht tegen zich. De paus ging zelfs zover dat hij iedereen, die meedeed aan de kruistocht tegen Dolcino, al hun zonden zou vergeven. De bisschop van Vercelli, leider van de militaire operatie, liet 5 bastions bouwen op de hellingen van de Rubello berg. Het leger beheerste inmiddels alle mogelijke ontsnappingsroute. Hierdoor konden de uitbraken van Dolcino’s bende niet meer hulp bereiken of herbevoorraad worden. Het vechten ging vrijwel aan een stuk door en al snel werden de dolcinieten gedwongen, in staat van uithongering, om paard, rattenvlees, hond of soms zelf gekookte hooi te eten.
Het ging zelfs zover dat ze mensen begonnen te eten. Zo zag een ooggetuige een man met allemaal bijtwonden op het lichaam, hij was letterlijk levend opgegeten. Ik weet niet of ik dit soort verhalen wel moet geloven, maar het klinkt in ieder geval wel lekker luguber.
Een voor een stierven de mannen van Dolcino door uithongering gedurende de gehele winter van 1306-1307.
Toen de lente naderde, op 13 maart 1307, was de bisschop vastbesloten om een enorm krachtige aanval te plaatsen met alle mannen die hij tot zijn beschikking had. De aanvallers ramden in op het fort, dat het begaf. De rebellen werden massaal afgeslacht en creëerden daarmee een rode rivier van bloed.
Dolcino werd gepakt terwijl hij probeerde te vluchten uit de bergen. Helaas voor hem kregen ze hem levend in handen. De paus liet er geen gras over groeien en liet vervolgens Dolcino en zijn medevluchtelingen (Longino van Bergamo en ‘mooie’ Margharita) ter dood veroordelen. Margharita bleek bij gevangennamen ook nog eens zwanger te zijn. Een andere vrouw die ook bij Dolcino was, Daisy van Trento, werd op 1 juni 1307 vastgebonden en verbrand onder de ogen van Dolcino.
Vervolgens werden Dolcino en zijn twee kompanen drie maanden lang gemarteld met speren en tangen. Ook Eco geeft een fantastische bloedige beschrijving van de martelingen van Dolcino. Na de martelingen werden ze ter dood gebracht op de brandstapel. Margharita werd als laatste verbrand, ze had eerst moeten toekijken hoe Dolcino levend werd verbrand.
Wat bleef er hangen van Fra Dolcino? [top]
Ook na de dood van Dolcino zelf bleven Apostelbroeders en –zusters zich in Italië en Spanje vertonen. Immer vervolgd door de Inquisitie. Bernardo Gui waarschuwde de Spaanse geestelijkheid nog tegen hen in een brief van 1316. Zelfs tegen het einde van die eeuw doken ze nog op in Frankrijk, Noord-Duitsland en Sicilië. Op het laatstgenoemde eiland schenen ze zelfs in het bezit te zijn van beenderen van Fra Dolcino, die ze vereerden als relieken.
Op de kerkvergadering in Latour in 1368 werd nog een edict uitgevaardigd tegen de Apostelbroeders die hun gevangennamen en bestraffing voorschreef.
Volksliederen en legenden omtrent Dolcino werden nog lange tijd gezongen in Piedmont.
De sekte vormde ook een voorbode voor de vele boerenopstanden die later in de Middeleeuwen zouden plaatsvinden.
Dolcino zelf werd gedurende de volgende eeuwen bijna een legendarisch personage, zoals Nietzsche het later zo mooi zegt, die een incarnatie was van een superman die de middenklasse veracht en dit demonstreert door karakteristieke moedige actie.
Conclusie / beantwoording vraagstelling [top]
De hoofdvraag:
Alhoewel Eco wel op een aantal kleine punten afwijkt, kan ik niet anders dan tot de conclusie te komen dat Eco zijn huiswerk uitstekend gedaan heeft. Het verhaal wat hij beschrijft klopt en daar valt weinig op af te dingen. De vergelijking boek – werkelijkheid is dus de volgende:
- Eco beschrijft de geschiedenis van Fra Dolcino uitstekend
- Er zitten een aantal kleine verschillen in. Deze verschillen hebben vooral betrekking, volgens mij, op de manier waarop Eco zijn personage, Ubertino de Casale, laat vertellen. Ubertino is immers een oude man en kan ook niet alles weten. Daarom zijn de verschillen vanuit dit oogpunt goed te verklaren.
- Eco gebruikt dezelfde bron als die ik heb gebruikt, namelijk die van Salimbene.
- Ook Eco wijst Segalelli aan als voorloper van Dolcino. Een schilderij over Segalelli is te vinden in het illustratiegedeelte (zie inhoudsopgave).
De deelvraag:
De invloed van Fra Dolcino heb ik grotendeels beschreven aan het einde van mijn betoog. Maar ik zal hieronder nog even snel puntsgewijs de belangrijkste dingen weergeven.
- Dolcino zijn sekte kan gezien worden als een voorloper voor de vele boerenopstanden, hij heeft ook voor het eerst een heel sterke band met het platteland, waar zijn leer veel volgelingen trekt.
- Naar grote waarschijnlijkheid hebben ook elementen van Dolcino meegespeeld in de ‘Ciompi’ in Florence in juli 1378.
- In navolging van Dolcino werd in het Middeleeuwse sekteleven het Joachimitisch element sterk uitgestraald, men klemde zich ook graag vast aan eschatologische voorspellingen en dat het volk zelf aan inhoud en verbreiding ervan heeft meegeholpen
Conclusie:
Fra Dolcino is een van de meest mysterieuze personen uit de Middeleeuwse geschiedenis geweest. Zijn invloed is nog merkbaar (op afgezwakte wijze) in vele andere bewegingen. Dolcino was van vrij normale komaf en heeft daarom waarschijnlijk ook veel succes gehad bij de boeren. Bovendien was Dolcino een begenadigd spreker, wat de ongeletterde plattelandsmensen erg aansprak. Ik heb voor mijzelf een gedeelte van het mysterie rond Fra Dolcino weggenomen. Door het beperkte aantal beschikbare bronnen over deze man, zal ik echter nooit de waarheid te weten komen. Dolcino heeft bovendien de kerk ook goed wakker geschud. Aangezien de kerk een hele kruistocht aan hem wijde zal er toch wel iets heel speciaals aan hem moeten zijn geweest. Ook Umberto Eco vind Dolcino volgens mij een uiterst boeiend persoon. Ik ben verder geen enkel persoon tegengekomen in het boek wat zoveel bladzijden in beslag neemt. Eco neemt uitgebreid de tijd om over te verhalen, wat maar weer aanduid dan Dolcino verder gaat bij hem dan alleen het feit dat Salvatore en Remigio bij de dolcinieten waren aangesloten. Ik heb mijn beide vragen wel kunnen beantwoorden, waarvan met name vraag 1 niet zo moeilijk was. Met dank aan Eco natuurlijk. De invloed van Dolcino heb ik zo duidelijk mogelijk proberen aan te geven en ik denk persoonlijk dat ik daar wel redelijk in geslaagd ben. Dan wat betreft mijn thema. Ik heb informatie gewonnen over Fra Dolcino, maar of het mysterie rond hem ooit op te helderen valt?
[top]1. Quote van Segalelli, 1301, tijdens een verhoor van de Inquisitie door Bernardo Gui
2. Van Dante, op zijn schilderij over Dolcino. De titel is mij helaas niet bekend.
3. Paus Clemens V op 7 september 1306, brieven rondgestuurd aan Ludovico di Savoia, aan de Inquisitie, de Dominicanen en naar de aartsbisschop van Lombardije.
Literatuurlijst [top]
Literatuur
U. Eco, De naam van de roos & Naschrift (Bologna 1980)
T. de Vries, Ketters. Veertien eeuwen ketterij, volksbeweging en kettergericht (Amsterdam ?)
A. J. Haft e.a., The key to "The Name of the Rose" (University of Michigan 1999)